Bank van lening Den Haag
Een stukje historie over de stadsbank van lening in Den Haag. Zoals gezegd werden vermogensheffingen voor de Staten geïnd door de Sociëteit, maar dat laatste college trad niet uitsluitend als kassier voor de Grootmogenden op: het beschikte ook over eigen belastingen. Zo waren er Sociëteitsaccijnzen, belastingen op rechtshandelingen en inde het college korte tijd eigen ‘bestemmingsheffingen’: belastingen waarvan het doel van te voren werd aangegeven. Ook het ambachtsbestuur had eigen inkomsten. Het beschikte over accijnzen, bestemmingsheffingen als straatgeld, of vuilnisgeld, belastingen op rechtshandelingen, en niet-belastingmiddelen als leningen, en retributies. Om toch maar een opsomminkje te geven, midden achttiende eeuw had het ambachtsbestuur inkomsten uit de wijn- en bieraccijnzen, uit het klapwakersgeld, het vuilnis- en diepgeld en uit het straatgeld. Het hief tol op de Delftse schuiten, op de Scheveningse straat, en op de Delftse straat, en kaaigeld op de Bierkade. Soortgelijke inkomsten waren er ook uit de boom bij het Leprooshuis. Dan waren er nog inkomsten uit het Haagse jacht, er moest maalloon betaald worden en ook de couranten brachten inkomsten binnen. Hetzelfde gold voor in Den Haag gehouden venduen.Wanneer er belastingen werden verpacht, dan moest de pachter zogenaamde ‘rantsoenen’ afdragen, opcenten op de pachtsom waaruit de kosten van de veiling bestreden werden. Lucratief bezit, zoals de vleeshal, de zeevismarkt, de riviervis- en oestermarkt, de waag, de stadskraan , de grote markt, de fruiten, de groenmarkt, de beestenmarkt, de botermarkt, de ossenvarkenboom- en bloemmarkt, kon verpacht worden. Datzelfde gold voor de visserij in de Loosduinse vaart, en de beerputten. Inkomsten waren er eveneens uit de ijk, en de Stadsbank van Lening in Den Haag.